Terwijl het grootste deel van de Europese automarkt in zijn vrij staat, trapt Estland het gaspedaal diep in. De Baltische staat registreerde in de eerste tien maanden van dit jaar 16.384 nieuwe personenauto's — een opmerkelijke 52,5% meer dan in dezelfde periode vorig jaar, volgens cijfers die lokale marktdeskundigen naar voren halen. Op een continent dat jaarlijkse verkopen in de miljoenen telt, is een markt van amper vijf cijfers die met meer dan de helft van zijn eigen omvang groeit geen herstel. Het is een hausse.

De opleving kent een ironische wending. De autobelasting die Estlandse kopers ooit achtervolgde, is nog steeds van kracht — maar de angst is, zoals lokale media het uitdrukken, de showroom uit. Wat velen als een rem op de vraag zagen, viel samen met precies het tegenovergestelde: een onverwachte sprong in de verkoop, waarbij kopers zich kennelijk bij de heffing hebben neergelegd en massaal terug voor de deuren van de dealers staan.

Afgezet tegen het bredere Europese beeld lezen Estlands cijfers bijna als een zetfout. Adviesbureau Inovev, geciteerd door Forbes, verwacht dat de verkoop van sedans en SUV's in Europa een decennium lang vrijwel vlak blijft — van 16,9 miljoen in 2026 zachtjes dalend naar 16,7 miljoen in 2035. Oost-Europa als geheel wordt geraamd op zo'n 3,4 miljoen units met een groei van slechts 0,6%, volgens schattingen die Izvestia meldt. Tegen een continent met vrijwel geen momentum is Estlands 52,5% een echte uitschieter.