Chisinau staat zelden op de voorpagina's van vakbladen voor de auto-industrie, maar het heeft mogelijk net geruisloos een hoek van de Europese onderdelenkaart hertekend: Moldova verlaagt de tarieven voor Oekraïense goederen die het land in transit passeren. De timing kan nauwelijks scherper zijn. Nu Brussel zijn 'Made in Europe'-agenda doorvoert, is het nog nooit zo belangrijk geweest waar een onderdeel vandaan komt — en hoe goedkoop het een assemblagelijn kan bereiken.
Het industriële plan dat Duitsland en Frankrijk voorstaan, eist dat 70% van de totale waarde van de onderdelen van een voertuig — accu uitgezonderd — in Europa wordt geproduceerd. De regel herschrijft in één klap de subsidiabiliteit. Uit Japan geïmporteerde auto's komen niet in aanmerking voor EU-subsidies, terwijl modellen die in Frankrijk, Portugal en Oost-Europa worden gebouwd er alleen van profiteren als voldoende onderdelen uit Europa komen. Voor de inkoopchefs in de regio is dat laatste zinnetje er één om te onderstrepen.
Precies daar komt Oekraïne in beeld. Als fabrieken in Oost-Europa hun materiaallijsten moeten vullen met Europees gemaakte waarde om de steun van Brussel te ontgrendelen, hebben inkopers een nieuwe prikkel om in heel Europa op zoek te gaan naar concurrerende onderdelen — en Oekraïense goederen die westwaarts rollen, reizen nu onder lichtere voorwaarden door Moldova. Op papier althans wijzen het protectionisme van het plan en het pragmatisme van Chisinau dezelfde kant op: richting Oekraïense levercapaciteit die nauwer verweven raakt met Europese waardeketens.



