Ergens tussen de kranen van de haven van Riga en de vergaderzalen waar het EU-industriebeleid wordt opgesteld, wordt de toekomst van de Oost-Europese autosector in kleine lettertjes beslist. Duitsland en Frankrijk pleiten voor een 'Made in Europe'-doctrine voor de Europese auto-industrie, en de gevolgen reiken veel verder dan de assemblagelijnen van West-Europa. Voor Letland — een EU-lidstaat aan de Baltische flank van de unie — leest het plan als een uitnodiging met voorwaarden.

Het mechanisme is keihard. Volgens het plan komen uit Japan geïmporteerde auto's niet in aanmerking voor EU-subsidies. Modellen die in Frankrijk, Portugal en Oost-Europa worden gebouwd, profiteren juist — maar alleen als voldoende onderdelen uit Europa komen. Die ene voorwaardelijke bepaling tekent de concurrentiekaart opnieuw: de assemblagelocatie garandeert niet langer een beloning, en de herkomst van elk onderdeel krijgt opeens gewicht.

Geen wonder dat het voorstel wereldwijde autoleveranciers nerveus maakt, die stijgende kosten en groeiende concurrentiezorgen zien aankomen. Voor leveranciers in de Baltische regio snijdt het mes aan twee kanten. Elke autofabrikant die aanspraak wil maken op subsidies heeft Europees gehalte nodig — en capaciteit in het oosten van Europa wordt met elk procentpunt aan vereist lokaal aandeel aantrekkelijker. Maar leveranciers die verweven zijn in wereldwijde ketens en Japanse of andere niet-Europese componenten in Europese productie inbrengen, lopen het risico dat hun onderdelen bij de subsidiabiliteitsdrempel worden afgeprijsd.