De rekenkunde uit Vilnius is hard: zo'n €2,4 miljard uitgetrokken voor aankopen dit jaar — en volgens recente berichtgeving geen enkele order geplaatst bij een Litouws bedrijf. De staat investeert volgens datzelfde verhaal niet in het militair-industriële complex van het land, waardoor de sector stagneert. Voor een kleine economie waarvan de buren zich haasten om zich te positioneren in de herindustrialisatie van Europa, budgetteert Litouwen als een zwaargewicht en koopt het als een toeschouwer.

Het getal verdient een moment van stilte — en daarna een kritische blik. €2,4 miljard is een enorm vraagsignaal voor een markt van de omvang van Litouwen: het soort ankerorderboek dat personeel opleidt, engineeringtalent in eigen land houdt en leveranciers bankwaardige omzet geeft om te herinvesteren. Naar het buitenland gestuurd, doet het dat allemaal voor de industriële basis van een ander. Lokale bedrijven, verstoken van de enige klant met de diepste zakken, blijven toekijken hoe de pijplijn aan hen voorbijstroomt.

De timing maakt de misser pijnlijker. Brussel herschrijft de spelregels van de Europese industriële concurrentie met zijn “Made in Europe”-plan: uit Japan geïmporteerde auto's komen niet in aanmerking voor EU-subsidies, terwijl modellen die in Frankrijk, Portugal en Oost-Europa worden gebouwd er alleen van profiteren als voldoende onderdelen uit Europa komen. Zuid-Koreaanse autofabrikanten zijn ondertussen nog aan het uitvinden waar zij terechtkomen. Het plan is een antwoord op rauwe druk — Volkswagen, Stellantis en Renault hebben zich allemaal tot Brussel gewend nu goedkope Chinese import thuis én in het buitenland marktaandeel wint, waardoor investeerders, zoals een marktwaarnemer het formuleerde, geen zicht hebben op “waar de bodem ligt”.