In Letland rinkelen de kassa's; de brandstofpompen wat minder. Detailhandelscijfers die eind vorige week naar buiten kwamen via de Letse publieke omroep LSM schetsen een uitgesproken tweesnelheidseconomie: de volumes in de non-food detailhandel stegen met 9,3% op jaarbasis, de voedingsverkoop kroop met 0,3% omhoog — en autobrandstof ging de andere kant op, met een daling van 0,8%. In een land waar de automarkt nog steeds draait op tweedehands diesel, mag dat stille minteken aan de pomp wel eens het interessantste cijfer van het hele rijtje zijn.
De dip is des te curieuzer als je kijkt naar wat er op Letse opritten staat. Uit de marktanalyse van SEB banka blijkt dat de Letse markt nog steeds gedomineerd wordt door tweedehands dieselauto's, en de helft van alle geïmporteerde voertuigen komt van slechts vier merken — BMW, Mercedes-Benz, Audi en Volvo. Een markt die diesel blijft kopen maar desondanks dalende brandstofverkopen noteert, stelt pomphouders en groothandelaren voor een lastige vraag: waar zijn de liters gebleven?
Voor de brandstofhandel is de rekenkunde ongemakkelijk. Brandstofdetailhandel leeft van volume, en juist het volume zakte — een daling van 0,8% tegenover een non-food groei die ruim tien keer zo hard loopt. Voor groothandelaren en tankstationnetwerken betekent dat druk precies daar waar ze hun marges verdienen, terwijl de bredere consumenteneconomie op volle toeren draait; voor wagenparkbeheerders en logistieke bedrijven is zachtere brandstofdoorvoer daarentegen een zeldzame adempauze aan de kostenkant.



