In de Sloveense componentenfabrieken is de vraag van het seizoen veranderd. Niet langer 'waar wordt deze auto geassembleerd?', maar 'waar wordt alles erin gemaakt?' Het EU-plan 'Made in Europe', aangevoerd door Duitsland en Frankrijk, brengt wereldwijde autotoeleveranciers van slag — en hertekent in alle stilte de kaart van voordelen in Oost-Europa. Voor een kleine, exportgedreven toeleverancierseconomie als Slovenië kan de inzet nauwelijks directer zijn.

De mechanismen van het plan zijn bot. Uit Japan geïmporteerde auto's komen niet in aanmerking voor EU-subsidies, terwijl modellen die in Frankrijk, Portugal en Oost-Europa worden gebouwd er juist van profiteren — maar alleen als voldoende van hun onderdelen uit Europa komen. Die ene voorwaardelijke bepaling maakt van elke onderdelenfactuur een strategisch document. Assemblagelocatie is niet langer genoeg; inhoud is de nieuwe munt.

Precies hier komt Slovenië in beeld. De auto-industrie van het land verdient al jaren haar brood met leveringen aan Europese autofabrikanten, waarbij componenten naar assemblagefabrieken op het hele continent stromen. Als fabrikanten die in Oost-Europa bouwen nu moeten aantonen dat voldoende van hun onderdelen uit Europa komen om subsidies te ontgrendelen, dan tellen in Slovenië gemaakte componenten — geproduceerd binnen de EU — mee richting het doel. Een onderdeel uit Slovenië heeft plotseling een waarde die verder reikt dan het prijskaartje.